Men spreekt in het nederlands van één lot, en verschillende loten,
Maar ’t meervoud van pot is wel geen poten !
Laatst ging ik vliegen, nu zeg ik dus: ik vloog
Maar zeg nu bij wiegen beslist niet: ik woog.
Want woog is nog altijd afkomstig van wegen,
Maar is dan “ik voog” een vervoeging van vegen ?
Wat hoort er bij zoeken? Ja zeker, ik zocht,
En zegt u bij vloeken dus logisch: ik vlocht ?
Welnee, beste mensen, want vlocht komt van vlechten,
En toch is “ik hocht”niet afkomstig van hechten.
En bij lopen hoort “liep”, maar bij kopen geen “kiep”.
En evenmin zegt men bij slopen “ik sliep”.
Want sliep, moet u weten, dat komt weer van slapen.
Maar fout is natuurlijk “ik riep” bij rapen.
Want riep komt van roepen. Ik hoop dat u het weet
En dat u die kronkels beslist niet vergeet.
Dus: kwam ik u roepen, dan zeg ik “ik riep” !
Nu denkt u van snoepen, dat wordt dan “ik sniep”!
Alweer mis, m’n beste. Maar u weet beslist,
Dat ried komt van raden, ik denk dat u ’t wist.
Komt bied dan van baden? Welnee, dat wordt “bood”.
En toch volgt na wieden beslist niet “ik wood”.
“Ik gaf” hoort bij geven, maar “ik laf” niet bij leven.
Dat is bijna zo dom als “ik waf” hoort bij weven!
Zo zegt men: wij drinken en hebben gedronken.
Maar echt niet: wij hinken en hebben gehonken.
’t Is moeilijk, maar weet u: van weten komt wist,
maar hoort bij vergeten nou logisch vergist?
Juist niet, zult u zeggen, dat komt van vergissen.
En wat is nu goed ? U moet zelf beslissen:
Hoort bij slaan nu: ik sloeg, ik slig of ik slond?
Want bij gaan hoort: ik ging en niet ik goeg of ik gond.
En noemt u een mannetjesvret nu een rater?
Dat geldt toch alleen bij een kat en een kater !
U ziet, onze taal beste dames en heren, Is – net als ik zei – best moeilijk te leren !! |